Tafeltje. Een Indische levensloop

 

In mijn huis staat een tafeltje, een mooi, voornaam bijzettafeltje. Het is van mat glanzend roodbruin hout. ‘Rozenhout,’ zei mijn moeder, en als mijn moeder rozenhout zei, dan is het rozenhout. Het tafeltje heeft afgeronde hoeken en staat hoog op ranke, vierkante pootjes. In het midden van het bovenblad is vaag een donkere tekening te zien van wilde nerven die alle richtingen uit vliegen. Voor de omlijsting is juist rustig hout gekozen dat het wilde in toom houdt. Rondom, vlak onder het bovenblad zit een opengewerkte rand. Zo slingeren ranken met bladeren en besjes zich om het tafeltje heen.

Bersiap

Ik ken het tafeltje al zolang ik mezelf ken. Het stond in het huis in Batavia waar ik heb leren praten. Van mijn moeder hoorde ik dat mijn vader er mee thuis was gekomen toen zij net na de Japanse bezetting getrouwd waren, en in de Thibaultstraat woonden. Ik fantaseerde dat mijn vader het tafeltje op straat had gevonden tijdens de Bersiap, dat rampokkers het misschien verloren hadden. Toen ik mijn vader er uiteindelijk naar vroeg, zei hij dat hij het had meegenomen uit het verlaten huis waar hij als seiner kwam te werken, na zijn krijgsgevangenschap.

Onderdak

Mijn ouders namen het mee op de boot naar Holland. Daar pronkte het in Den Haag, in het huis in de Wormerveerstraat dat mijn opa Ventje voor de familie had gekocht. Toen wij, mijn moeder, vader, broertje Eric en ik daar in de winter van 1951 aankwamen zat de voordeur er nog niet eens in. Ook Oma Dien, mijn moeders moeder, mijn moeders zuster Noes met Nico haar man, en hun kinderen Mady, Harry en Huipie vonden er onderdak. Later kwamen er nog meer familieleden uit Indië. Oom Frans propte zich met zijn vrouw in de kamers, evenals Oom Johnny met zijn vriend.

Nieuw Guinea

Mijn geheugen slaat de eerste drie jaar in Batavia over en mijn vroegste herinneringen stammen uit de Wormerveerstraat. Nu staan er hoge flats met een winkelcentrum en loopt de tram er doorheen, maar toen lag achter het huis een landje met kassen. Daar viel ik van mijn step, in de brandnetels, in de sloot. Binnen keek ik naar het tafeltje. Daarna verhuisde het Indische aandenken mee naar Loosduinen, waar ik op school zat middenin de duinen. Mijn vader en Eric vertrokken naar onze nieuwe bestemming, Nieuw Guinea. Mijn moeder, baby-broertje Marcel en ik namen het tafeltje mee toen wij introkken bij een tante in Amsterdam. Wij wachtten tot er een huis in Hollandia beschikbaar kwam en stapten op het vliegtuig. Op een foto van ons eerste huis op de Polimac kom ik het tafeltje weer tegen. Op de voorgrond staan Eric en ik met chagrijnige koppen, verkleed als zigeunerin en Indiaan. In het Polimac-huis zat ik vaak vlak bij het tafeltje op de grond, en keek van onderen naar de rand met slingerranken. Ik dacht aan de slapende prinses die omringd was door doornen, en wist dat ik pas een prinses kon worden als ik blond haar had.

Rust

Het tafeltje ging als barang mee op de vrachtboot waarmee we naar het hete karang eiland Biak verhuisden. Als een van de weinige bezittingen is het mee gemigreerd naar Holland toen we de Pacific verlieten. Toen kreeg het rust in Deventer waar mijn ouders het langst hebben gewoond. Nu staat het tafeltje, als Indisch erfgoed, bij mij in Amsterdam.

Pamela Pattynama
Januari 2017

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *